Toch blij

De profeet Habakuk en zijn profetie
Lastig te vinden, al die kleine profeten. Komt Haggaï nu voor of na Zefánja? En Nahum, waar in het rijtje hoort die thuis? Als er wordt gepreekt over één van de kleine profeten - de bijbelboeken die na Daniël volgen en soms maar één hoofdstuk tellen - is het in de kerk vaak een heel geblader. Habakuk is misschien wel één van de meer bekende, kleine profeten. Toch zullen maar weinig mensen weten wie Habakuk was en wat de inhoud is van zijn boek.

Waar gaat deze AanZet over?
De profeet Habakuk en zijn profetie.

Wat wordt er besproken in deze AanZet?

1. Wie was de profeet Habakuk?

2. Wat staat er in dit bijbelboek?

3. Hoort God het gebed wel?
(In dit hoofdstuk wordt Habakuk 2: 1 uitgelegd.)

4. Blij zijn als alles tegen zit, kan dat?
(In dit hoofdstuk wordt Habakuk 3: 17 en 18 uitgelegd.)

 1. Wie was de profeet Habakuk? (terug)

De profeet Habakuk vertelt niets over zichzelf. Hij noemt in vers 1 van het eerste hoofdstuk alleen zijn naam en taak: De last, welken Habakuk, de profeet, gezien heeft. De profetie, die hij heeft ontvangen, noemt hij een ‘last', een boodschap die zwaar is.

Afkomst
Over de afkomst van Habakuk bestaan verschillende verhalen. Sommige Joodse rabbijnen menen dat Habakuk de zoon was van de Sunamietische vrouw, die door een wonder van Elisa uit de dood werd opgewekt. In de Bijbel is daar niets over te lezen.
Volgens het apocriefe geschrift ‘Van Bel en de draak' zou Habakuk door een engel naar Babel gebracht zijn om Daniël van voedsel te voorzien in de leeuwenkuil. Ook dit idee berust niet op bijbelse gegevens en lijkt in tegenspraak met de geschiedenis in het bijbelboek Daniël. Daar zegt Daniël zelf dat God een engel heeft gezonden (Daniël 6: 22 en 23).
Tenslotte bestaat er een rabbijns verhaal dat Habakuk afkomstig zou zijn uit de stam van Simeon, uit het plaatsje Beth Zacharia. Of die rabbijnse uitleg juist is, is niet duidelijk. 

Betekenis
In Israël kregen veel kinderen een naam met een betekenis. Daniël bijvoorbeeld: ‘Mijn rechter is God'. Wat de naam ‘Habakuk' betekent, is niet duidelijk. Een paar mogelijke betekenissen zijn:
- ‘de zeer geliefde'
- ‘omarmer' of ‘omhelzer'
- een slingerplant bijvoorbeeld.

Chaldeeën als straf
Habakuk leefde waarschijnlijk in de tijd van koning Jojakim, de koning van Juda, die regeerde van 608 tot 597 voor Christus. Daarmee zou Habakuk een tijdgenoot zijn van de profeet Jeremia en een jongere tijdgenoot van Zefanja.
De Chaldeeën speelden een belangrijke rol in de tijd van Habakuk. In het eerste hoofdstuk van de profetie wordt beschreven hoe de Chaldeeën zullen komen om Juda te straffen voor de zonde van de koning en het volk. De Heere gaat de Chaldeeën gebruiken om de goddelozen te straffen.

Gods wet vergeten
In 597 voor Christus werd Jeruzalem door de Babylonische soldaten ingenomen. Een paar jaar later werd de stad verwoest. Het volk, waaronder waarschijnlijk ook Daniël, werd weggevoerd in Babylonische gevangenschap. In 539 voor Christus keerde een deel van het volk terug uit deze ballingschap.
Habakuk geeft duidelijk aan wat de reden is voor de verwoesting van de hoofdstad: Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en men neemt gekijf op. Daarom wordt de wet onderlaten, en het recht komt nimmermeer voort; want de goddeloze omringt den rechtvaardige; daarom komt het recht verdraaid voor (Habakuk 1: 3 en 4).
In Juda wordt geruzied, de wet wordt niet meer gehandhaafd; ‘onderlaten' betekent ‘nalaten'. Rechters worden omgekocht of zij verdraaien het recht door gunst of afgunst. Het volk van Juda ruziet met de profeet Habakuk en is Gods wet vergeten.

Straf op de zonde
Juda zal op een vreselijke manier gestraft worden voor die zonden. Maar de profetie van Habakuk bevat niet alleen een oordeel over het volk van Juda, maar ook over de Chaldeeën, de Babyloniërs. De overwinningen maken de Chaldeeën hoogmoedig: Dan zal hij - de Chaldeeër - de geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God (Habakuk 1: 11).  
Het machtige leger van de Chaldeeën zal de overwinning dus aan eigen kracht toeschrijven. Maar hoogmoed komt voor de val: Omdat gij vele heidenen beroofd hebt, zo zullen alle overgeblevene volken u beroven; om het bloed der mensen, en het geweld aan het land, de stad, en alle inwoners derzelve (Habakuk 2: 8).

2. Wat staat er in het bijbelboek Habakuk? (terug)

Habakuk worstelde met de Godsregering. Hij begreep Gods weg niet: Waarom zoudt Gij aanschouwen die trouweloos handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze die verslindt, die rechtvaardiger is dan hij? (Habakuk 1: 13b). De worsteling met de leiding van de Heere is een centraal thema in het boek Habakuk.

Het bijbelboek bestaat uit zes delen:
1: 1-4 - klacht over het onrecht in het land
1: 5-11 - antwoord van de Heere
1: 12-17 - gebed en klacht over Gods onbegrepen weg
2: 1-4 - wachten op antwoord van de Heere
2: 5-20 - oordeel over de Chaldeeën
3: 1-19 - lied van Habakuk.

Klacht over het onrecht in het land (1: 1-4)
Het boek van de profeet begint met een klacht. De profeet ziet het onrecht in Juda en vraagt zich af waarom de Heere niet ingrijpt. Habakuk heeft gebeden, maar zijn gebed is niet verhoord. Voor de profeet is het onbegrijpelijk dat God niet ingrijpt.

Antwoord van de Heere (1: 5-11)
Habakuk krijgt toch antwoord van de Heere. Het antwoord is verbazingwekkend, verbijsterend: het zal alleen maar erger worden. De Heere kondigt een oordeel aan dat over Juda zal worden voltrokken door de Chaldeeën.
De aanval van de Chaldeeën wordt beeldend beschreven. Paarden van de Chaldeese soldaten zullen sneller lopen dan een luipaard, sneller vliegen dan een arend.
Natuurlijk is dat beeldspraak, maar de vergelijking met het snelste landdier ter wereld - een luipaard kan wel 120 kilometer per uur lopen - is veelzeggend.
Ook de arend is een krachtig, snel dier: een grote roofvogel met brede vleugels, een stevige snavel en scherpe klauwen.
De aanval zal hevig zijn, zoals een aanval van wolven die 's avonds jagen: fel en onverwachts. En de buit zal weggesleept worden naar het oosten, richting Babel.

Gebed en klacht over Gods onbegrepen weg (1: 12-17)
Bij Habakuk roept het antwoord van God nog moeilijker vragen op dan die hij eerst stelde. Want hoe kan God, Die rechtvaardig en goed is en het kwade haat, een goddeloos volk gebruiken om een oordeel over Juda te voltrekken? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij? (vers 13b).
Waarom wordt Juda overgeleverd aan de Chaldeeën, zoals vissen overgeleverd zijn aan de vissers? Hij vergelijkt de Chaldeeën met een visser die er genoegen in schept om vis te vangen en te fileren. Op allerlei manieren wordt het volk geplunderd en geplaagd, zoals vissers ook op verschillende manieren vis vangen: één voor één met een hengel, of in hele scholen tegelijk met touwen en netten (vers 14 en 15).
Vertwijfeld vraagt Habakuk zich af of de vissers hun netten zullen legen om daarna opnieuw het net uit te werpen. Zal hij niet verschonen, met altoos de volken te doden? (vers 17b).

Wachten op antwoord van de Heere (2: 1-4)
Toch wacht Habakuk ootmoedig. In hoofdstuk 2 schrijft Habakuk: Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing (vers 1). Niet afwachtend, maar vertrouwend.
En het antwoord komt. Nee, de Chaldeeën zullen niet ongestraft kunnen doorgaan. Integendeel. Habakuk moet van de Heere ook het oordeel over de Chaldeeën opschrijven. De Heere zal komen en Zich wreken op de Chaldeeën.

Tegelijkertijd wijst deze tekst op de komst en wederkomst van Christus. In Hebreeën 10: 37 schrijft de apostel: Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven. Het ‘einde' (vers 3) wijst op de zekerheid van de vervulling van Gods beloften. De Heere zal niet achterblijven, Hij kan niet liegen.

Oordeel over de Chaldeeën (2: 5-20)
Niet minder dan vijf keer wordt het ‘wee' uitgesproken. Met het ‘wee' worden verschillende zonden aangewezen.

1. In vers 6 tot en met 8 worden hebzucht en machtswellust aan de orde gesteld. Zoals zoveel volken in de Oudheid, roofden en plunderden de Chaldeese soldaten de veroverde landen.

2. In vers 9 tot en met 11 is de mens op zoek naar ‘zelfbeveiliging', op zoek naar een veilige plaats om te ontkomen aan de greep van het onheil. Er is natuurlijk niets mis met een appeltje voor de dorst, een spaarpotje. Maar de financiële zekerheid waar het hier over gaat wordt op een oneerlijke manier begeert - ‘gegierd'.

3. In vers 12 gaat het over de Chaldeeër als stedenbouwer. Door wrede praktijken, bloedvergieten en onrecht komt hij aan de macht en bouwt hij een stad, zijn rijk. Habakuk gebruikt hier een beeldspraak waarin de stenen en balken als het ware weten hoe de huizenbouwer aan z'n geld is gekomen: door moord en doodslag.

4. De verzen 15 en 16 tekenen de zedeloosheid van de goddelozen: drank en seks. Alcohol en seksueel misbruik zijn vaak nauw aan elkaar verbonden doordat drank remmingen laat verdwijnen.

5. Het laatste ‘wee' in vers 19 toont de dwaasheid en armoede van de afgodendienst waaraan deze lieden zich schuldig maken.

Daarna zwijgt Habakuk en schrijft: Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!

Lied van Habakuk (3: 1-19)
Het derde en laatste hoofdstuk van het boek Habakuk is een lied. Het opschrift doet denken aan een Psalm, een lied. Ook in de verzen 3, 9, 13 en 19 staan aanwijzingen die duiden op een muzikale uitvoering (‘Sela' en ‘Neginôth').

Vers 1 en 2 zijn een gebed om ontferming
Vers 3-7 gaan over de majesteit en macht van God
Vers 8-15 gaan over de toorn van God
Vers 16-19 gaan over de vreugde die Habakuk toch heeft. 

3. Hoort God het gebed wel? (terug)

Hoort God het gebed wel? Die opleiding, die zo mooi leek, maar te moeilijk bleek. Die jongen, die zo aardig was, of dat meisje, dat verkering kreeg met iemand anders. En die ziekte die al zolang duurt... Zo maar een paar voorbeelden van onverhoorde gebeden. Habakuk worstelde daar ook mee.
In Habakuk 2: 1 staat: Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing. Waarom wachtte Habakuk op antwoord?

Uitkijktoren
Habakuk gebruikt het beeld van een wachter op een toren. In het Midden-Oosten was het gebruikelijk dat steden één of meerdere torens hadden. Een grote stad had uitkijktorens en verdedigingstorens. In Psalm 61 wordt God vergeleken met zo'n verdedigingstoren.
De profeet heeft het hier niet over zo'n verdedigingstoren, maar over een uitkijktoren. Een Oosterse stad was omringd door een dikke muur die de vijand buiten moest houden. Vanuit de hoogte had de wachter een goed uitzicht over het gebied rondom de toren. Zo'n wachter keek goed naar ieder stofwolkje, ook al was het misschien nog zo klein. Want het kon het eerste teken zijn van de nadering van een grote troepenmacht. Iedere beweging wordt door de wachter gesignaleerd; hij staat als het ware ‘op scherp'. In Psalm 130 wordt dat beeld ook gebruikt: Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen (vers 6).

Verhoren
Habakuk twijfelt er niet aan of God zal antwoorden. Zoals de wachter op de toren oplette, zo let Habakuk op het antwoord van God. En dat antwoord komt! Hij krijgt van de Heere de opdracht duidelijk zichtbaar op te schrijven: Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven (Habakuk 2: 4).
Voor Habakuk kwam er dus antwoord. En als ie sollicitatie op niets uitloopt? Als die verkering niet doorgaat? Als die ziekte al zolang duurt?
Habakuk leek eerst te twijfelen of zijn gebed werd verhoord. Het werd uiteindelijk verhoord, maar niet zoals Habakuk misschien wilde. En toch: juist in dat antwoord dat Habakuk kreeg, klonk ook het Evangelie. En ontving hij misschien nog wel meer dan waar hij om gevraagd had: zicht op het heil, op de Heiland (3: 18).
God hoort het gebed. Dat is zeker. Niet ieder gebed wordt verhoord en veel van wat God doet blijft voor mensen onbegrijpelijk. Maar Hij vergist zich nooit. Misschien wil de Heere juist daardoor mensen iets leren van hun afhankelijkheid. Misschien wil Hij zo het gebed uit het ‘Onze Vader' leren: Uw wil geschiede.

4. Blij zijn als alles tegen zit, kan dat? (terug)

In de wereld is veel ellende. Grote rampen die soms duizenden mensen treffen. Of verdriet waar niemand van weet. Habakuk maakte ook veel ellende mee. Toch was hij blij in moeilijke omstandigheden. Hoe kon Habakuk blij zijn in de moeilijke omstandigheden waarin hij verkeerde?

Inhoud Habakuk 3
Hoofdstuk 3 van Habakuk is een lied waarin de profeet zingt over de oordelen van God. De gevolgen van de ongehoorzaamheid van het volk Juda zullen groot zijn. De inval van soldaten uit Babel zal een einde maken aan de welvaart, zo ziet Habakuk.

In vers 17 noemt de profeet een aantal van die gevolgen:
- de vijgenboom zal niet bloeien;
- er zullen geen vruchten aan den wijnstok zijn;
- het werk van de olijfboom zal 'liegen';
- de velden zullen geen spijze voortbrengen;
- de kudde zal uit de kooi worden afgescheurd;
- er zal geen rund in de stallingen zijn.

Vijgenboom
De vijgenboom is een vruchtboom die in het hele gebied van de Middellandse Zee voorkomt. In de Bijbel wordt de boom dan ook vaak genoemd. Zacheüs bijvoorbeeld gebruikte de boom, die zo'n zeven, acht meter hoog wordt, om zich in te verstoppen.
In april begint de boom met bloeien: de kleine bloempjes vormen langzaam de vrucht, die drie keer per jaar geplukt kan worden.

Voor de bevolking van het oude Israël waren die vijgen heel belangrijk: samen met de olijfboom en de wijnstok was de vijgenboom de belangrijkste vruchtboom.
- De vijgen werden vers gegeten of samengeperst tot een grote 'klomp' vijgen om te bewaren;
- Zieken gebruikten vijgen vanwege de geneeskracht (Jesaja 38: 21).

Als Habakuk zegt dat de vijgenboom niet meer zal bloeien, dan is dat niet zomaar iets, maar tekent dat de ernst van de situatie: het land verkeert in een noodsituatie.

Zingen in de crisis
Maar de ellende voor het volk van Juda zal nog veel groter worden:
- Het vee zal worden weggevoerd: koeien, schapen en runderen;
- De akkers en landbouwgrond zullen kaal blijven.

Dat is een ramp voor een volk dat leeft van veeteelt en akkerbouw. De verwoesting door de legers van de Chaldeeën is compleet. Oorlog leidde vaak tot hongersnood doordat de oogst werd geroofd (Richteren 6: 4).  
Toch mag de profeet zich aan zijn God vastklampen: Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal en geen vrucht aan de wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal, zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in de God mijns heils (Habakuk 3:17 en 18). Een grotere tegenstelling bestaat bijna niet: oordeel en ellende tegenover vreugde en blijdschap in God.

In de geestelijke en economische crisis van Juda zingt Habakuk hier over het ‘nochtans' van het geloof. Hij kan veel verliezen, maar de God van zijn heil, houdt hij over. Habakuk kijkt over de oordelen heen. Al bloeit de vijgeboom niet en al geeft de wijnstok geen vrucht: God verlaat Zijn volk niet!

God overhouden
Habakuk heeft zijn lied niet gelijk uit volle borst gezongen. In de verzen voor het ‘nochtans'  in vers 18 schrijft de profeet dat bij het zien van de ellende zijn buik beroerd werd en zijn lippen beefden.
De profeet houdt dus weinig over, maar toch! Ook al is hij alles kwijt, hij heeft God overgehouden. God zet voor Habakuk het ‘nochtans' van het geloof tegenover alle bezwaren, zonden en ellendigheden.
Paulus schrijft: Als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende (2 Korinthe 6: 10). 

Klappen van blijdschap
De puritein Thomas Watson zegt: "Het is tot eer van God als de wereld ziet dat een christen iets heeft dat hem in alle omstandigheden blijdschap kan geven."
Iets dergelijks zei een andere Engelse predikant: "De heilige martelaren klapten, terwijl ze midden in de vlammen van het vuur waren, in hun handen van blijdschap, omdat Christus met hen was. Eens zei een martelaar: ‘Ik voel niet meer pijn dan of ik op een bed van zachte veren lig,' terwijl hij in de vlammen van het vuur lag. Wat vertroostte Job het meest onder al zijn droevige verdrukkingen? Dit: Want ik weet dat mijn Verlosser leeft (Job 19: 25). Habakuk mocht, hoewel er geen rund in de stal wezen zou, van vreugde in de Heere opspringen, Ik zal mij verheugen in de God mijns heils."
Dat ‘nochtans van het geloof' van Habakuk is nog steeds actueel voor iedereen die gelooft.


Mail een vriend