Annuleren

Zoek hier binnen onze website

Vrijdag 2 maart

clouds-3189310_1920

Lezen: Exodus 2:23-25

Toen Jozef gestorven was en er een nieuwe farao kwam, die Jozef niet gekend had, brak voor de nakomelingen van Israël een zware periode aan. Het volk zwoegde onder de slavendienst. Ze waren vreemdelingen in een vreemd land en bovendien slaven. De Heere had dit al tegen Abraham gezegd. (Gen. 15:13).

Van alles wat de Heere gezegd en beloofd had aan Abraham, Izak en Jakob leek niets terecht te komen. Zeker, de nakomelingen van Abraham werden steeds talrijker. Maar ze waren vreemdelingen in een vreemd land. De Heere had beloofd Israël het land Kanaän te geven tot een eeuwige bezitting.

Maar de Heere leek alles te zijn vergeten en de mensen van Israël leken de Heere te zijn vergeten. Ze zuchten en riepen, maar riepen ze wel tot de Heere? In ieder geval hoorde God hen wel. Dan kijk je in het hart van God: ‘God dacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob. En God zag de kinderen Israëls aan en God kende hen’ (Ex. 2:24,25).

  • Wat houdt het verbond van God in (Gen. 17:7,8)?
  • Wat heeft dit gedeelte te maken met het werk van Christus? Hoe kan God om Christus’ wil aan Zijn verbond denken?
  • Wat betekent dit gedeelte voor jou persoonlijk? Wat doe jij met de wetenschap dat God een God van het verbond is?
1178