Annuleren

Zoek hier binnen onze website

BLOG: Die grote dag

COLUMN

Ik neem een besluit. Het wordt een Bijbelleesles vandaag. Het is alweer een tijd geleden dat ik een Bijbelleesles heb gedaan met de groep aan het begin van de dag en het lijkt me goed om dit weer op te pakken. Roostertechnisch komt het ook precies uit, een mooie bijkomstigheid.

Het onderwerp van de Bijbelleesles is “het getal 40 in de Bijbel” met de nadruk op de 40 dagen tussen de opstanding van de Heere Jezus en Zijn hemelvaart. Op internet vind ik hier een mooie verwerking bij met passende Bijbelgedeelten. Ja, het komt helemaal goed.

De Bijbels worden uitgedeeld en de Bijbelleesles begint. Er wordt in kleine groepjes gesproken over de betekenis van hemelvaart. Meningen worden uitgewisseld, voor zover mijn leerlingen daartoe in staat zijn. Ik vertel over de betekenis van het getal 40. We lezen met elkaar enkele Bijbelgedeelten waar dit getal naar voren komt, om uiteindelijk te eindigen bij de 40 dagen tussen de opstanding en de hemelvaart.

Ik vraag de leerlingen: “Jongens, blijft de Heere Jezus nu voor altijd in de hemel?” Daar zijn ze het gezamenlijk over eens: nee, dat is niet zo. Hij komt eenmaal terug op de wolken des hemels. En dan komt de eerste vraag. “Juf, dan worden toch alle graven geopend?” Ik knik bevestigend en een zacht “ja, dat klopt” klinkt uit mijn mond. “Alle mensen zullen Hem zien, waar ze ook mee bezig zijn.” Het wordt muisstil in de klas. Het is niet altijd makkelijk om deze zaken bespreekbaar te maken met de leerlingen, maar ik merk een hoge betrokkenheid en dat geeft me moed om door te gaan.

De volgende vinger gaat omhoog in mijn gezichtsveld. Jasper vraagt: “Maar hóe dan, juf. Zo’n kist zit toch dicht?” Ik zie de ogen van mijn leerlingen groot worden. En ik zie vraagtekens… Jasper praat verder: “En zien we Maarten Luther dan ook? En Hitler en zo?” Met ogen als stuiters en een ongelovige glimlach om zijn mond kijkt hij mij aan. Ik laat hem weten dat ik blij ben met zijn vraag en dat ik deze ook goed begrijp. Voordat ik een antwoord kan geven, klinkt een zacht gefluister van achter de voorste tafel: “Juf, daar heb je niet eens tijd voor, dan kijkt iedereen alleen maar naar de Heere in de lucht.”

De regel “Je steekt je vinger op als je iets wilt zeggen” laat ik even gaan. Ik vraag Rosalie om dit te herhalen en dat doet ze. Dit meisje begrijpt het.

Annerinda Hardenbol

289